Bier in Nederlands-Indië

Uit etiwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Beck's advertentie uit 1938 Deze advertentie maakt duidelijk hoe destijds over vooruitgang werd gedacht: Slordig bos maakte plaats voor keurige percelen tabaksplanten.
Voor de industriële revolutie was het niet mogelijk in de Tropen bier, met name pils, te brouwen. IJs of mechanische koeling om tijdens de maandenlange rijping het bier net boven het vriespunt te lageren was simpelweg niet te produceren.

Aangezien er wel veel bier gedronken werd in dit dorstige klimaat, moest het bier worden geïmporteerd. Om het bier goed te houden moest het in elk geval gepasteuriseerd zijn.
Het pasteuriseren van vaten was technisch erg lastig. Zodoende werd nagenoeg al het bier in flessen aangevoerd. De grote Nederlandse exportbrouwerijen als Heineken, Amstel, de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (ZHB), van Vollenhoven en Phoenix vulden dan ook voor het grootste deel op flessen af voor de export. Dit is goed te zien aan het advertentiemateriaal uit de periode van ongeveer 1900 tot 1940; vaak zijn flessen of etiketten in de advertenties van dagbladen of tijdschriften te zien.

Import

De concurrentie was hevig. Niet alleen Nederlandse brouwers exporteerden naar Nederlands Indië, ook Duitse brouwers als Beck & Co (uit Bremen) met de merken Koentji (het merk met een sleutel) en Kloster Bier. Verder waren ook Engelse, Amerikaanse en Japanse brouwers vertegenwoordigd. Grote flessen (tegenwoordig 620 ml) worden overigens nog steeds wel 'Bremer' genoemd in Indonesië. Door de lange reis was het bier in Nederlands Indië erg duur - de kwaliteit liet ook nog wel eens te wensen over als gevolg van onzorgvuldige behandeling.

Onderstaand bericht uit De Sumatra post van 23 augustus 1933 geeft een goed beeld van de hoeveelheden en herkomst van het geïmporteerde bier in Nederlands-Indië.

Japan verdringt Duitschland

BIJ BIEREXPORT NAAR INDIË

Japans bier dat onder merk 'Kraan' werd verkocht.

Als wij over bier schrijven en zoo eens nagaan, welke volken het edele gerstenat met volle teugen genieten, dan denken wij het eerst aan den dikken Germaan, die im Deutschen Heimat am Stammtich de eene pul na de andere „herunter schluckt", aan den Hollander, die daar rustig met z'n glaasje „Pils" achter het raam van zijn café zit, of aan „son voisin d'outre Moerdyk" den Belge, die in zijn glas „Geuze Lambic" tuurt. Neem den Engelschman, geleund tegen den counter in de "Pub" met een „Bass- Stout" of "Pale-ale", den Franschman, die druk om zijn „Bock" roept —maar in geen geval haalt ge u den kleinen „Jap" voor den geest, als ge aan bier denkt. Een Japanner en bier nee! Wij stellen hem ons voor, in zijn kimono aan een klein sierlijk tafeltje in dat aardige papieren huisje, waar Mimosa San met veel en fijn ceremonieel hem het dun porseleinen, kopje thee aanreikt. Wij weten wel dat hij zich zoo nu en dan aan „sake" te goed doet en den volgenden dag een even grooten kater heeft als wij na een oergezellige fuif in de Harmonie (dat is ook al lang geleden), maar „bier" .... En toch heeft de Japanner van thans geleerd bier te drinken en hij heeft het vlug geleerd ook! In de zeventiger jaren was bier, geïmporteerd bier, een zeldzaamheid in Nippon en alleen geschikt voor de harige vreemdelingen, zooals men de Westerlingen in het vriendelijke Land der Kersebloesems noemt, totdat een ondernemende Engelschman op het idee kwam. „Why shouldn't the Jap drink beer?", om een bierbrouwerij op te richten, in Yokohama. Dat sloeg in, want geen vijf jaren later volgden Japanners hem na in de jaren 1873-1876 in Kofu en Hokkaido. In 1890 reeds hadden de Japansche bierbrouwerijen zulk een vlucht genomen, dat de invoer van het buitenlandsche product, vergeleken bij den omzet van het eigen, van geen beteekenis meer was. Thans heeft Japan bierbrouwerijen met filialen in Korea en Manchu Kuo en zelfs in Shanghai, die zoo modern zijn, dat ze de vergelijking met de beste Duitsche en Hollandsche brouweryen absoluut doorstaan kunnen. De „Dai Nippon Beer Brewery" in Tokyo, onstaan uit een fusie van verscheidene andere, is misschien wel de grootste met een productie van 50000 koku, oftewel 90.000.000 L.; de „Kirin Brewery" met 50.000.000 Liter in Yokobama, the „Nippon Beer Kosen" de „Teikoku", om de voornaamste maar te noemen, zullen naar schatting, zooals een der Japansche bladen de „Osaka Aasahi" onlangs mededeelde, in 1933 over de 1.000.000 koku of 180.000.000 Liter produceeren. Natuurlijk drinkt de Japanner dat niet allemaal alleen op. Een groot gedeelte verlaat de grenzen om in het buitenland den roem te verbreiden van „Tjap Kraan" en Asahi Beer. Naar taxatie in hetzelfde blad zal de export in dit jaar bij de 12.500.000 Liter bedragen. Geweldig, niet waar? Maar nog geweldiger, als men nagaat, dat de export in de laatste 7 jaren zich jaarlijks verdubbeld, neen, meer dan verdubbeld heeft. Behalve naar Korea, Manchu Kuo, etc. gaan enorme quonta naar Britsch Indië, naar al die kleine eilandjes, die daar in den Stillen Oceaan verspreid liggen. Ja, nog verder stroomt het Japansche bier, tot zelfs aan de kunsten van Zuid-Amerika.

Nederlandsch Indië

En Nederlandsch-Indië? Weet U, dat in 1930 de totale invoer van alle soorten bier (Nederlandsen Duitsch, Engelsch) hier te lande over de 14.000.000 liter beliep, waarvan Duitschland 10.396.000 invoerde, Nederland 2.679 000 terwijl Japan achteraan bengelde met 790.000 liter? In 1931 had van het totaal van 1.0866.000 liter Duitschland nog steeds het leeuwendeel met 7.481.000 liter en Nederland importeerde 2.068.000, Japan importeerde 524.000 liter. Toen kwam 1932! ! De import liep terug tot 8.028.000 Lt. Duitschland verloor veel terrein, importeerde slechts 3.565.000, tegen Nederland 2.353.000 liter Japan daarentegen kwam opletten met 1.146 000 liter. Cijfers die niet spreken, maar schreeuwen! In de eerste helft van 1933 voerde Holland in 890.000 L., Duitschland niet meer dan 918.000, Japan 2.000.000 liter! Krijgt de „Osaka Asahi" geen gelijk, als zij aan het slot van het artikel, waaraan het Bat. Nieuwsblad deze gegevens ontleende, opmerkt, dat het Japansche bier het Duitsche in luttele jaren tijds grootendeels uit Indië verdrongen heeft? Wanneer men de totaalcijfers over 1930 en 1932 vergelijkt (14.215.000 en 8.028.000 liter) ziet men dat Nederland goed stand houdt. De terugloop van den import beteekent natuurlijk niet, dat de consumptie naar evenredigheid verminderd is, doch is voor een groot gedeelte het gevolg van het succes van het Indische „Ankerpils" en het „Javabier".

Brouwerij "De Kroon"

KroonFailliet.jpg

Op 8 oktober 1885 was onderstaand stukje in de krant te lezen:

De bierfabriek, die zooals reeds aan De Locomotief werd medegedeeld, door de heeren Dermout en Voulaire te Batavia wordt opgericht, zal volgens het A. Dbl. bestaan uit een langwerpig vierkant gebouw van 31 meter lengte bij 8 meter breedte, waarvan 12 meter afgaan voor een ijskelder, die niet onder doch boven den grond wordt aangebracht.
Ter wijl overige gebouwen van ijzer zijn geconstrueerd, dat met asbest wordt bekleed of bedekt, zal de IJsfabriek geheel van steen worden opgetrokken. In de ijsfabriek komt een machine, die in 24 uren meer dan 20.000 k.g. ijs kan leveren, doch niet tot dat doel zal worden gebezigd, aangezien zij moet dienen om in den ijskelder een temperatuur van 10° Reaumeur te onderhouden. In de brouwerij zelf zal een zoogenaamd le brasserie perfectioneé, van Armand Girard, waaraan een stoommachine van vier paardekrachten is verbonden, aangebracht worden. In Januari a.s. hoopt men reeds met het brouwen een aanvang te kunnen maken.

De brouwerij begon de productie op 6 mei 1886. De capaciteit was 3.000 flessen per dag. Men ging er van uit het bier voor de helft van de prijs van de ingevoerde bieren te kunnen leveren. De soorten die men als eerste in de handel bracht waren Princesse, Indian ale en Extra Stout. Kennelijk was het met de kwaliteit van het bier van 'De Kroon' wel in orde. Op de "Tentoonstelling voor Voedingsmiddelen" die gedurende de zomermaanden van 1887 in Amsterdam werd gehouden, werd het bier met goud bekroond. In 1887 werden ook Erlanger en Zwart aan het assortiment toegevoegd. Bij veel brouwerijen was ijs een belangrijk bijproduct. Ook bij brouwerij de Kroon was dit het geval. Deze brouwerij is ongeveer 5 jaar in productie geweest. Gezien de biersoorten die uit de ketels kwamen, werd bovengistend bier gebrouwen. Een groot deel van het importbier was inmiddels ondergistend. Waarschijnlijk heeft dit de brouwerij parten gespeeld. In 1890 werd het faillissement uitgesproken. De boedel werd 14 maart 1891 geveild. Om een indruk van de omvang van deze brouwerij te geven: te koop waren onder andere een 4 pk stoommachine, 2 Linde ijsmachines met een capaciteit van 3000 en 6000 pond, 146.000 lege flessen en 56 lagervaten van 50 hectoliter. Aangezien er sprake is van flessen, zijn er uiteraard etiketten gebruikt. Helaas hebben we van brouwerij 'De Kroon' uit Batavia alleen een slechte zwart-wit kopie beschikbaar.

Eerste Nederlandsch-Indische Bierbrouwerij

In 1906 deed Arthur Ziegenbalg een poging tot het opzetten van een moderne bierbrouwerij. In 'Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië' van 6 augustus 1906 stond het volgende:

Eerste Bataviasche Bierbrouwerij.
De Heer Ziegenbalg, Directeur der Eerste Bat. Bierbrouwerij, had gisteren ochtend het publiek van Batavia uitgenoodigd tot een Mustikalischen Frühschoppen, ten einde kennis te maken met het door hem gefabriceerde product, en het publiek heeft in grooten getale van de invitatie gebruik gemaakt, en zich het brouwsel goed laten smaken. Na al de Bierähnliche Getränke, met de vele bittere, of zoete bijsmaakjes, de strooperigheid, het niet natuurlijke schuim, en de vele verdere gebreken die de vloeistoffen, welke hier dikwijls als bier worden verkocht, aankleven, was het dan ook een genoegen om weder eens den echten smaak van bier te proeven. Vooral de lichte soort, door den Heer Ziegenbalg gebrouwen, kan worden gezegd van inderdaad goede kwaliteit te zijn. Het is zeker nog een bezwaar voor de brouwerij dat de capaciteit niet grooter is, deze bedraagt thans 2500 Liter per dag, en daardoor wordt speciale aandacht noodzakelijk, wil men een product verkrijgen dat steeds van gelijke hoedanigheid is.
Maar de zaak is nog jong, zij blijkt levensvatbaarheid te bezitten, en reeds zijn de plannen voor den bouw van een flinke brouwerij, met ijsmachine en koelkelder, zoo ver gevorderd, dat eerstdaags met de uitvoering een aanvang zal worden gemaakt.
Wat de behandeling van het bier betreft, deze geschiedt met een inderdaad buitengemeene zorg voor de zindelijkheid. Het filtreeren, aftappen en kurken der flesschen, zoowel als het reinigen daarvan, geschiedt uitsluitend machinaal, zoodat ook het bezwaar dat men wel eens hoort uiten: 'dat hier die vieze inlanders er mee omgaan", — zonder dat men natuurlijk iets weet omtrent de meerdere of mindere zindelijkheid der arbeiders in Europa - op afdoende wijze is ondervangen.

Het lijkt er op dat deze brouwerij voor een groot deel voor de eigen bierhallen van Ziegenbalg brouwde. Hij opende onder andere een bierhal in een filiaal van de vroegere gasfabriek op Noordwijk. Een bierhal was overigens in veel gevallen niet meer dan wat we tegenwoordig een café zouden noemen. Biersoorten die vervaardigd werden waren Pilsener, Münchener, Culmbacher en Lagerbier. Op 24 oktober 1907 werd H.A. Ziegenbalg in staat van faillissement verklaard. 7 november van dat zelfde jaar wordt het faillissement opgeheven, maar kennelijk werd er niet langer gebrouwen. Op 26 maart 1910 overlijdt Arthur Ziegenbalg.

N.V. Nederlandsch-Indische Bierbrouwerijen

René Gaston Dreyfus was een Franse bankierszoon die een brouwersopleiding had gevolgd. Hij richtte in Zwitserland de Societe Financière de Brasseries (Sofibra) op. In 1929 zocht Dreyfus contact met de HBM (Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij N.V.) om te onderzoeken of het mogelijk was op Java een brouwerij op te richten. Samen met jhr Feith van Heineken reist hij naar Nederlandsch Indië. Men komt tot de conclusie dat gezien de ligging alleen Soerabaia geschikt is als vestigingsplaats voor een brouwerij.

Daar aangekomen blijkt dat de Brasserie Coloniale (Cobra) al grond in Ngagel heeft aangekocht om een brouwerij te bouwen. Zodoende zag Heineken af van het oprichten van een brouwerij in Nederlands Indië. Op de terugweg naar Nederland deed Feith Singapore aan. Daar kreeg hij contact met Fraser & Neame, wat uiteindelijk leidde tot een samenwerking. Deze brouwerij van de N.V. Nederlandsch-Indische Bierbrouwerijen werd op 21 november 1931 officieel geopend. De geproduceerde bieren waren onder andere het Java bier en daarom werd de brouwerij ook meestal de Java brouwerij genoemd. Het bier werd niet op de klassieke manier gebrouwen, maar volgens het Nathan systeem. Dit is een speciaal voor de tropen aangepaste manier van brouwen, waarbij er niet lang gelagerd hoefde te worden, maar men het rijpen onder speciale omstandigheden liet plaatsvinden. Door in 1935 een pakket aandelen van de Belgische holdingmaatschappij ‘S.A. Internationale de Brasserie’ (Interbra) te kopen kreeg Heineken uiteindelijk door een meerderheid aandelen toch de controle over de brouwerij in Ngagel omdat deze brouwerij eigendom was van Interbra. Heineken besloot al snel ook over te stappen op de klassieke manier van brouwen omdat, de kwaliteit van de bieren uit de [Nathan Brouwerij|Nathan] installatie vergeleken met het bier van de ABC onder de maat bleef.

Heineken’s Nederlands-Indische Bierbrouwerij Maatschappij

In 1937 was de uitbreiding en verbouwing van de brouwerij gereed. De naam van het bedrijf werd veranderd in ‘Heineken’s Nederlands-Indische Bierbrouwerij Maatschappij’. Vanaf die tijd werd er ook bier onder de merknaam Heineken verkocht met een Heineken etiket met de bekende ster. Vaak bestelde men een ‘tjap bintang’ – merk met ster. De import van Heineken bieren uit Nederland werd stopgezet. Naast Heineken werd ook een bier met het merk 'Rex' geïntroduceerd. Dit bier moest de concurrentie met de Duitse importbieren aangaan. Het bleek echter al snel dat de naam 'Rex' wat betreft klank wel erg veel op 'Beck’s'leek.

De bieren onder het merk ‘Java’ bleven overigens gewoon verkrijgbaar en werden uit kostenoverwegingen nog steeds door middel van het Nathan procedé vervaardigd. Na de tweede wereldoorlog werd, vlak voor de Japanse capitulatie, de Republik Indonesia uitgeroepen. Uiteindelijk vond de formele soevereiniteitsoverdracht plaats op 27 december 1949. Heineken gaat verder als 'Heineken's Indonesische Bierbrouwerij MIJ. NV'. Vanaf 1957 werd een beleid van nationalistisch staatskapitalisme ingevoerd. Ook werden alle nog aanwezige Nederlanders het land uit gezet. Dit pakte slecht uit voor veel bedrijven. De machtsovername door Suharto in 1965 zorgde ervoor dat het nodige ging veranderen. In 1967 kreeg Heineken uiteindelijk weer zeggenschap over de brouwerij. De naam wordt gewijzigd in 'PT. Perusahaan Bir Indonesia'. Sinds 1982 heet de onderneming PT Multi Bintang Indonesia. Al enkele jaren brouwt men er naast Bintang ook weer Heineken.

N.V. Archipel Brouwerij Compagnie

In augustus 1931 werd met een startkapitaal van 5,25 miljoen gulden de N.V. Archipel Brouwerij Compagnie opgericht. Het doel van de onderneming was: het brouwen van bier en het distilleren van dranken en de fabricatie van koolzuur en koolzuurhoudende dranken, alsmede ijs. De directie werd gevormd door de firma Geo Wehry & co. Deze firma importeerde al het door Beck in Bremen gebrouwen Tjap Koentji (sleutel) bier. De eerste brouwerij werd gebouwd in Batavia, er werd hierbij gebruik gemaakt van staalskeletbouw, iets wat in Nederlands Indië nagenoeg niet eerder was gedaan. Wehry was een grote handelsonderneming, ooit begonnen in de tabak. Wehry is later gefuseerd met Borsumij en daarna opgegaan in het nog steeds bestaande Hagemeyer dat destijds ook in Nederlands Indië werd opgericht.

Op 8 april 1933 werd de Archipel Brouwerij officieel geopend. Het bier werd goed ontvangen. Bekende merken waren 'Diamant', 'Anker' en 'Kris'. Als 'prijsvechter' bood de ABC ook een bier aan onder het merk 'Kanon'. Op 11 mei 1940 werden alle Duitse bedrijven in Nederlandsch Indië onder Nederlands gezag geplaatst, waaronder ook de N.V. Archipel Brouwerij Compagnie.

N.V. Oranjebrouwerijen

De brouwerij werd te koop aangeboden. Heineken wilde de brouwerij graag in bezit krijgen om zijn positie te verstevigen. Het bod van Heineken was echter te laag en brouwerij werd opgekocht door de N.V. Borneo Sumatra Maatschappij, beter bekend onder de naam Borsumij en ging verder als N.V. Oranjebrouwerijen.

Vincent van Bommel vertelt over de roerige tijden die nog volgden .....

Mijn vader (Kees (C.A.F.M.) van Bommel, een Diplom Brauerei Ingenieur die in 1938 afstudeerde in München) ging na de Japanse capitulatie in 1945 naar Batavia nadat Drie Hoefijzers NV uit Breda het contract voor het topmanagement van de Borsumy (Borneo Sumatra Handelsmaatschappij NV) heeft verworven. 30.000 hl bier dat na de capitulatie in de systemen van de brouwerij zat, werd door hem drinkbaar gemaakt en verkocht. Dat werd in 1946 het startkapitaal (NLG 300.000) van de Oranje Brouwerij NV, waarna mijn moeder en ik naar Batavia trokken.
Wij bleven tot medio 1958 -in inmiddels Djakarta- als gevangenen van de Indonesische Staat in het kantoor van de brouwerij: er zou namelijk eerst nieuw management ter opvolging geregeld moeten worden. Hier hebben mijn vader en Drie Hoefijzers naarstig aan meegewerkt en gevonden.
De stad Djakarta heeft de brouwerij daarna overgenomen.
Personeel van het laboratorium -Indonesische HBS-ers die hun vreemde talen spraken- zijn vervolgens naar Europa (Hochtschule fürs Brauereiwesen in Freising bij München en naar de Hogere Technische Brouwerijschool St. Lieven te Gent in België) gestuurd en toe Braumeister opgeleid. De Drie Hoefijzers en uiteraard vooral mijn vader bleef op afstand geïnvolveerd en uiteindelijk werd de brouwerij door San Miguel uit de Filipijnen overgenomen.

Tegenwoordig heet de onderneming PT Delta Djakarta Tbk en is, zoals Vincent al vertelde, onderdeel van San Miguel. Anker bier, pils en stout, wordt er nog steeds gebrouwen.

Voor sommige exportbestemmingen - onder andere Maleisië, waar het merk 'Anker' simpelweg vertaald is naar 'Anchor' - wordt ook gebruik gemaakt van de merknaam 'Batavia'.